SENSORISCHE INFORMATIEVERWERKING

Sensorische informatieverwerking gaat over het verwerken van zintuigprikkels in het zenuwstelsel. Dit waarnemen gebeurt met behulp van onze zintuigen. Om goed te kunnen functioneren in het dagelijks leven is het belangrijk dat de zintuiglijke waarnemingen goed door het zenuwstelsel worden verwerkt. Wanneer dit waarnemen niet goed verloopt kan het kind problemen ervaren op de volgende gebieden:

  • bewegen; zoals angst voor bewegen, opgetild worden, bang om te vallen, niet willen schommelen of koppeltje duikelen of moeilijk stil kunnen zitten, veel wiebelen, geen gevaar zien
  • aanraken/tast; het aanraken door anderen, knuffelen, wassen van haren, werken met zand/vingerverf wordt als vervelend ervaren of het kind ziet er slordig en vies uit doordat hij het niet goed voelt
  • gecoördineerd bewegen; zoals veel vallen, komen onhandig over, kunnen niet twee dingen tegelijk doen
  • aandacht bij een activiteit houden; snel afgeleid, vergeten vaak iets, organiseren van langdurige taken geeft problemen
  • regulatie van de alertheid
  • kruipen, springen, huppelen, fietsen

Onze 7 zintuigen zijn: horen, zien, ruiken, proeven, voelen, houding- en bewegingsgevoel. Deze zintuigen geven informatie over ons eigen lichaam en de wereld om ons heen.

Met deze informatie kunnen we onszelf beschermen en kunnen we leren.

De informatie krijgt betekenis door de verwerking in onze hersenen. Dit vindt zowel op bewust als op onbewust niveau plaats. Na de verwerking in de hersenen zal de informatie zich uiten in ons gedrag, in onze motoriek, in onze emoties en in ons spel. De beleving ervan is een bepalende drijfveer voor ontwikkeling; het zorgt ervoor dat iemand wil onderzoeken, wil herhalen of juist bepaalde handelingen niet wil doen. Met een juiste verwerking van alle zintuigprikkels zijn we in staat om snel situaties te interpreteren en er op te reageren. Dan kunnen we ons beschermen, ons prettig voelen en ons als zelfstandig individu ontwikkelen.

Als de hersenen de zintuigprikkels een te sterke of te zwakke waarde geven, wordt dit zichtbaar in een niet adequate manier van reageren. Voorbeelden van te sterke waarneming zijn o.a. angst bij beweging met bijv. kleine hoogteverschillen (koprollen, schommelen), aanraking of kleding wordt als vervelend/ pijnlijk ervaren, extreem reageren op geluiden. Voorbeelden van te zwakke waarneming zijn o.a. ongecoördineerd bewegen, veel vallen, niet inschatten van gevaarlijke situaties, struikelen, hardhandig aanraken, veel geluid opzoeken.

Wanneer de sensorische informatieverwerking afwijkend verloopt kan dit leiden tot opvallend gedrag bij een kind. Wat het moeilijk maakt is dat afwijkend gedrag niet altijd als sensorisch gedrag wordt herkend. Het gedrag kan door ouders, leerkrachten of anderen verkeerd worden begrepen of zelfs als storend worden ervaren.

Een kind dat sensorisch in balans is kan beter functioneren en staat open voor communicatie en ontwikkeling!